Meten van auditkwaliteit: De heilige graal in de accountancy

Stel, we kunnen auditkwaliteit meten. Dan kunnen we auditkwaliteit ook rangschikken. Hoe ziet zo’n ‘wereld’ eruit? Een kort gedachte experiment met als veronderstelling dat we een goede definitie hebben van audit kwaliteit en die audit kwaliteit is objectief te meten (op een schaal van 1 tot 5). De heilige graal in de accountancy is gevonden. Wat nu?

Door Albert Bosch

Uiteraard kan die auditkwaliteit dan gepubliceerd worden, zodat gebruikers/afnemers van controlediensten weloverwogen kunnen kiezen welke accountantsorganisatie(s) ze gaan benaderen. Dit is geheel in lijn met de gedachte van de Commissie Toekomst Accountancy (CTA) en de Kwartiermakers die aan de slag zijn gegaan met Audit Quality Indicators (AQI’s).

Accountantsorganisaties kunnen hun offerteprijzen (uurtarieven, teambezetting en aantal uren) aanpassen op de score. Een ten opzichte van concurrenten hogere kwaliteit mag wat kosten, nietwaar? En accountantsorganisaties kunnen in hun werving voor medewerkers etaleren dat zij een hogere kwaliteit leveren dan hun concurrenten. Dat moet werkzoekenden in de sector toch aanspreken, toch? 

Iets omgekeerds kan ook gebeuren: andere accountantsorganisaties gaan trekken aan de medewerkers die bij een kantoor met een hoge kwaliteitsscore werken. Maar dat is voor de overstappende accountant een reputatierisico, dus daar zal een prijs voor gevraagd worden.

Accountantsorganisaties met een lage score hebben moeite met het aantrekken en behouden van medewerkers en ook cliënten laten die kantoren liever links liggen. Je wilt als assistent, controleleider, accountant of als cliënt toch niet geassocieerd worden met een ‘slechte’ accountantsorganisatie? Mogelijk gevolg: meer vrijwillige of gedwongen situaties waarin de WTA-vergunning bij de AFM wordt ingeleverd. En dus ook minder keuzemogelijkheden voor de gebruikers/afnemers van controlediensten, maar wel van een hogere kwaliteit. En de betrokken medewerkers verdwijnen stilletjes van het toneel of mogen aan de slag bij een ‘beter’ kantoor, waar ze natuurlijk wel met enige argwaan worden bekeken.

Niet alleen het aantal vergunninghouders wordt dan minder, hun scores kruipen ook meer naar elkaar toe. Tenzij je auditkwaliteit niet integraal meet bij een kantoor, maar steekproefsgewijs. Dan fluctueert de score wellicht meer, maar dat roept dan de vraag op hoe representatief de score is. Dat is niet wenselijk, dus het wordt een meer integrale meting van de gehele auditkwaliteit van de gehele accountantsorganisatie.

Ik voorzie dan een nieuw vraagstuk. De kwaliteit van een controle is op dossierniveau en de score van de auditkwaliteit is op organisatieniveau. Je hebt dus als gebruiker/afnemer aanvullende informatie nodig over de mate waarin de auditkwaliteit varieert binnen een accountantsorganisatie. Immers, de accountant die jouw jaarrekening gaat controleren hoeft niet representatief te zijn voor de gehele accountantsorganisatie. De populatie ‘wettelijke controleopdrachten’ is immers geen homogene groep (verre van). Weegt de kwaliteit van de controle van een net-aan middelgrote onderneming net zo zwaar als de kwaliteit van de controle een AEX-genoteerde onderneming? Zo niet (en daar is wat voor te zeggen), wat voor weging gaan we dan met elkaar afspreken? Alternatief is dat de scores van alle controles openbaar worden. Wellicht interessant voor zoekende gebruikers/afnemers, maar hoe blij worden de huidige gebruikers/afnemers (inclusief de ondernemingen zelf) daar van? En mag je dan achteraf meer in rekening brengen als de score hoger dan het kantoorgemiddelde uitvalt en vice versa?

Verder hebben we dan nog de vragen wie de audit kwaliteit mag (moet) meten en hoe vaak. Dat zijn ook nog geen makkelijke vragen om te beantwoorden. Maar ze zijn wel relevant voor het gebruik van de auditkwaliteit indien we een definitie en een objectieve meetmethode hebben gevonden.

Kortom, in dit gedachte experiment zijn we er zelfs met een definitie van auditkwaliteit en een objectieve wijze om die te meten nog lang niet. Aanvullende vragen komen op.

En even terug in de wereld van vandaag: ik denk niet dat we in de accountancysector tot een goede definitie van auditkwaliteit komen. En ik denk al helemaal niet dat we tot een objectieve meting van auditkwaliteit kunnen komen. In die zoektocht moet ik wel eens denken aan de boodschappen (waarschuwingen) van de econoom F.A. Hayek in 1974 bij de uitreiking van de) Nobelprijs voor de economie. In zijn speech, met als titel ‘The Pretense of Knowledge’, waarschuwde hij dat in de economie niet alles meetbaar is en dus niet alle feiten met kwantitatief bewijs zijn te onderbouwen. En omgekeerd ook, dat als iets niet meetbaar is, dit niet betekent dat het daardoor niet relevant of van belang is. Auditkwaliteit doet ertoe, ook als is dit niet goed definieerbaar en meetbaar. Maar brandweerlieden zijn ook niet bezig met het definiëren van vuur; die zijn gewoon bezig het met zo goed en efficiënt mogelijk blussen van de brand (vuur). Wellicht dat accountants zich wat minder of niet moeten focussen op auditkwaliteit, of indicatoren daarvoor, maar gewoon bezig zijn met controles van kwalitatief hoog niveau.

Ik stel daarom voor dat we de zoektocht naar een definitie van auditkwaliteit wat loslaten. En dit is ook een pleidooi om af te stappen van de publicatie van AQI’s. Zie in dit verband ook eerdere publicaties ‘Audit Quality Indicators of Audit Quality Illusions?’ (2021, Bosch [1] ). En de publicatie ‘De AQI Opdrachtgevertevredenheid: wat gaan we ermee doen?’ (2022, Van Nieuw Amerongen [2]). AQI’s lijken weliswaar wetenschappelijk, maar ze zijn het niet. En pseudowetenschap is gevaarlijk. Maar de route naar verhoging van de auditkwaliteit mogen we nimmer verlaten. En die route bestaat wat mij betreft uit de (door)ontwikkeling van drie onderdelen, namelijk:

• Controletechnieken en -methoden;
• De inrichting en werking van het stelsel van kwaliteitsbeheersing; en
• Het concept van de lerende accountantsorganisatie.

De eerste twee onderdelen zijn goed bekend, maar behoeven permanente aandacht. Het derde onderdeel staat nog enorm in de kinderschoenen. Wil je als accountantsorganisatie aan de slag met het ontwikkelen van een lerende organisatie, dan verwijs ik je graag naar twee publicaties. Als eerste de publicatie ‘Leren van fouten: Een eerste verkenning bij accountantsorganisaties’ (2015, Gold e.a. [3]). Dit verkennend onderzoek, geïnitieerd door de NBA, is gericht op de vragen hoe accountants(organisaties) met fouten omgaan en hoe zij daarvan leren. En als tweede een recenter verschenen wetenschappelijk artikel (2022, Gold e.a. [4]) met als titel ‘Walking the Talk? Managing Errors in the Audit Profession’. Uit beide publicaties zijn lessen te halen voor de ontwikkeling van een lerende organisatie. Want wellicht is de lerende organisatie, en daarvoor benodigde cultuuromslag, wel de echte heilige graal in de accountancy.

Drs Albert Bosch RA is partner bij V&A accountants-adviseurs en referaat begeleider aan de accountantsopleiding aan Vrije Universiteit Amsterdam.

[1] https://www.vna-aa.nl/blog/audit-quality-indicators-of-audit-quality-illusions/

[2] https://accountantweek.nl/artikel/accountants-aqi-opdrachtgevertevredenheid-in-de-praktijk-brengen

[3] https://www.nba.nl/globalassets/projecten/lerend-vermogen/vu-rapport-leren-van-fouten-bij-accountantsorganisaties-mei-2015.pdf

[4] https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/1911-3846.12794

 

Gerelateerde artikelen