Onzekerheid over onzekerheid

Wanneer bestaat er 'gerede twijfel' over de voortzetting van een onderneming? Het Burgerlijk Wetboek is er niet duidelijk over, de Raad voor de Jaarverslaggeving geeft een geheel eigen – en onjuiste – draai aan het begrip. Dat kan beter.

Lees de volgende zin uit titel 9 boek 2 BW eens (de onderstrepingen staan niet als zodanig in de regelgeving, maar zijn van mij om er de nadruk op te leggen): “Bij de waardering van activa en passiva wordt uitgegaan van de veronderstelling dat het geheel der werkzaamheden van de rechtspersoon waaraan die activa en passiva dienstbaar zijn, wordt voortgezet, tenzij die veronderstelling onjuist is of haar juistheid aan gerede twijfel onderhevig is; alsdan wordt dit onder mededeling van de invloed op vermogen en resultaat in de toelichting uiteengezet.”

Uit het citaat blijkt in elk geval dat de wet met betrekking tot de waardering van activa en passiva van een onderneming relatief eenvoudig en duidelijk is en maar twee smaken kent: waardering op continuïteitsbasis of niet (en dan waarderen op liquidatiewaarde en toelichten). Alleen is de terminologie in de onderstreepte gedeelten verwarrend; de begrippen lopen nogal door elkaar en laten veel ruimte voor discussie open. De zeldzame toestand dat het geheel der werkzaamheden niet meer wordt voortgezet is natuurlijk overduidelijk. Maar wanneer is de continuïteit van een onderneming ‘aan gerede twijfel onderhevig’?

Een juridische uitleg omschrijft ‘gerede twijfel’ in termen als: ‘zonder dat daaraan oprecht en redelijkerwijs getwijfeld kan worden’, ‘daar kan echt niet aan getwijfeld worden’, ‘als er gerede twijfel is dan worden verdachten niet veroordeeld’ en ‘geen redelijk denkend mens twijfelt hier nog aan’. Dat beschrijft echter met name de toestand dat er géén gerede twijfel (meer) is. Wanneer is er wél gerede twijfel?

Misstap RJ

De Raad voor de Jaarverslaggeving een geheel eigen draai aan het begrip ‘gerede twijfel’. In RJ 170 gaat zij nader in op het verschijnsel van de dreiging van discontinuïteit. Daarbij verwijst zij in RJ 170.105 naar artikel 384 lid 3 en (ten onrechte) lid 4.

In een heel belangrijk tussenzinnetje staat bij RJ 170.106 dat ‘gerede twijfel’ voor deze richtlijn gelijk staat aan ‘ernstige onzekerheid’. Vervolgens maakt de RJ een tweedeling, alsof artikel 384 lid 3 een onderscheid zou maken in de ‘onjuiste continuïteitsveronderstelling’ en ‘de gerede twijfel aan de continuïteitsveronderstelling’. RJ 170.3 behandelt ernstige onzekerheid (ofwel gerede twijfel, volgens de RJ) omtrent voortzetting.

Bij gerede twijfel eist de wet echter dat er niet op going concern kan worden gewaardeerd! Dat terwijl de RJ van mening is dat dit nog wel degelijk mogelijk is, maar dat er een uitgebreide toelichting moet worden geschreven. Deze extra toelichting heeft naar mijn smaak geen wettelijke basis.

Het is uitstekend dat de RJ de wet verduidelijkt en de praktijk een handvat biedt, maar dat moet dan wel op een correcte manier gebeuren en niet door een onjuiste uitleg van artikel 384 lid 3.

Naar mijn mening hoort de onzekerheid omtrent de toekomst in het jaarverslag thuis, maar als dat in de jaarrekening moet (of moet worden herhaald) dan vind ik dat “next best”. In de waarderingsgrondslagen zou altijd moeten staan dat er wordt gewaardeerd op basis van continuïteit van het geheel der werkzaamheden.

Bij ‘ernstige onzekerheid’ zou een toelichting inderdaad veel toe kunnen voegen. Daarmee wordt onder meer de situatie ondervangen dat een kleine rechtspersoon, die vrijgesteld is van het vervaardigen van een jaarverslag, helemaal niets meldt omtrent de continuïteit.

Beterschap

De RJ zal wat nauwkeuriger geredigeerd moeten worden, wil ze beterschap tonen. In elk geval moet de vertaling van ‘gerede twijfel’ door ‘ernstige onzekerheid’ worden vermeden, om te voorkomen dat de oorspronkelijke betekenis van artikel 384.3 teniet wordt gedaan. Er moet een nauwkeurigere toelichting van het begrip ‘ernstige onzekerheid’ komen. De essentie kan blijven bestaan, namelijk toelichten bij ernstige onzekerheid.

Wordt ‘gerede twijfel’ toch gelijkgesteld met ‘ernstige onzekerheid’, dan hebben we een probleem, want dan moeten de betreffende jaarrekeningen op liquidatiebasis worden gewaardeerd (en uitgebreide toelichting waarom dat gebeurt en wat de invloed is op vermogen en resultaat).

Titel 9 BW telt

Wat betekent dit alles voor de controlerend accountant?

Aangezien de jaarrekening het object van de accountantscontrole is, ligt het primaat bij titel 9 BW2. Het kan niet zo zijn dat de wet (en richtlijnen) omtrent de jaarrekening aangeven hoe de jaarrekening er uit moet zien en welke grondslagen er moeten worden gehanteerd en dat vervolgens controlestandaarden daar iets anders van vinden.

De accountant controleert in de jaarrekening of de (verslaggevings-)wet correct wordt toegepast. Als dat zo is, dan kan de accountant op dat punt alleen maar bevestigend antwoorden. Is het niet correct dan volgt een afkeurende controleverklaring. Een ‘emphasis of matter’ is zinvol, maar zou niet nodig moeten zijn als de risico’s en de mogelijke gevolgen helder worden omschreven in de jaarrekening. Een oordeelonthouding over een zo cruciaal aspect kan ik mij niet goed voorstellen. Een beperking wel, indien de accountant van mening is dat een toelichting op zijn plaats is.

W.(Pim) A.J.M. van Batenburg RA, vennoot bij RSM Tempelman (www.rsmtempelman.nl) en co-auteur van Jaarrekening MKB.

Een uitgebreide versie van dit artikel staat in het nieuwe nummer van AccountantWeek, dat eind deze maand verschijnt.

Gerelateerde artikelen