‘Concurrentiebeding schaadt imago accountants’

Het non-concurrentie- en relatiebeding is een sta in de weg voor het zelfreinigend vermogen van de accountancy. Het moet daarom van tafel.

Zaaknr. 18/674 t/m 18/677

Dat was de kwintessens van de klacht die de Accountantskamer maandagmorgen behandelde op verzoek van een juridisch adviseur. 

De zaak kent een lange voorgeschiedenis; de inhoudelijke behandeling stond aanvankelijk voor een paar weken eerder op de rol. Die zitting duurde slechts kort omdat de klager een wrakingsverzoek indiende. Hij had het daarbij gemunt op een van de leden van het tuchtcollege. Het ging om een plaatsvervangend lid. 

Deze vrouw is ook partner bij een van de grote accountants- en advieskantoren. Volgens de consultant had zij daarom mogelijk persoonlijk belang bij de richting van het vonnis. Immers, zij zou er als partner baat bij kunnen hebben dat het beding binnen de branche niet ter discussie komt te staan.

Het college besloot daarom de zaak aan te houden en koos voor een pragmatische oplossing, bleek maandag. De raad bestond dit keer maar uit drie in plaats van de reguliere vijf leden – zowel het gewraakte lid als een lid uit de rechtelijke macht zaten niet aan.

Ook de klager was afwezig, zodat alleen de beklaagden konden worden gehoord. 
Dit betrof vier vennoten van een accountants- en belastingadvieskantoor. De klager stond de afgelopen jaren een collega van deze door hem beklaagde accountants bij als adviseur. Deze (ex-)collega, destijds ook vennoot bij het kantoor, had bij de Accountantskamer een klacht ingediend tegen deze heren over de gang van zaken rondom de verkoop van een handelsbedrijf. Hij had daar samen met zijn ex-collega’s in geïnvesteerd. Volgens de man is hij daarbij benadeeld en was dit in strijd met het tuchtrecht.

De Accountantskamer gaf de klager daarin gelijk. De accountants kregen een waarschuwing opgelegd. Een besluit dat later door het CBb is vernietigd 

Volgens de adviseur kon deze voormalige vennoot zich destijds sowieso niet vinden de werkwijze van zijn collega’s. Dat was de reden waarom hij in 2016 bij het kantoor is vertrokken. De collega’s hielden hem echter aan het concurrentiebeding.

“Een principekwestie”, zo omschreef de klager zijn verzoek destijds na afloop van de zitting. Hij noemde het non-concurrentiebeding in strijd met de fundamentele beginselen van integriteit en objectiviteit en daarmee niet in het belang van de accountancy in het algemeen. “Stel een accountant vindt dat zijn collega’s financieel gewin teveel laten prevaleren boven integriteit. En hij wil daar iets aan doen. Dan is hij met handen en voeten gebonden en zit er maar een ding op: heel veel goodwill betalen. Kan of wil hij dit niet, dan kunnen deze accountants gewoon doorgaan. Geen wonder dat de branche kampt met een imagoprobleem. De klant zit in hetzelfde schuitje; die kan niet meeverhuizen.”

De beklaagde accountants waren het daar duidelijk niet mee eens. “Het concurrentiebeding is een waarborg voor de waardering van de onderneming”, betoogde Sytze de Swart, hun adviseur. “Dat was ook in het belang van de cliënt die de klager hier eerder heeft vertegenwoordigd. Die is netjes uitgekocht.”

Bovendien is het concurrentie- en relatiebeding binnen de branche voor vennoten zeer gebruikelijk, aldus De Swart. En wat de integriteit van de beklaagden betreft: daarmee zit het volgens de gemachtigde wel goed. “Die wordt periodiek door de Raad van Toezicht van de NBA gecontroleerd.”

De uitspraak: ‘Concurrentiebeding niet in strijd met beginsel van integriteit’

Auteur: Jan Smit/Juridisch Persbureau Zwolle

Gerelateerde artikelen